Landschapssporen

Anloo

Magnuskerk van Anloo en de zitting van de Etstoel

Plek met een verhaal·Later gebruik

Magnuskerk van Anloo en de zitting van de Etstoel
Muurschildering in de Magnuskerk, 135 meter van het punt. Alleen verkleind naar 960 pixels. Naamsvermelding verplicht, niet-commercieel, en gelijk delen bij bewerkingen. https://www.flickr.com/photos/roger_joseph/34001852778/ Eerder stond hier het Commons-beeld 'Anloo Magnuskerk.jpg'. · Foto: Roger Joseph (Flickr) – CC BY-NC-SA 2.0

De Magnuskerk staat op een lichte verhoging aan de oostelijke brink van Anloo, en op de hoogtekaart is die verhoging goed te zien. De kerk wordt voor het eerst genoemd in 1139. Van Giffen groef in 1942 het hele middenschip op en stuitte daar op verbrand hout en leem van eerdere kerkgebouwen. Hij heeft er nooit over gepubliceerd. Archeoloog Pieter den Hengst maakte dat werk in 2016 af en bekeek al zijn gegevens opnieuw: zes of zeven voorgangers, waarvan de eerste in de negende eeuw. Preciezer wordt het voorlopig niet, want bij C14-onderzoek aan het hout uit 1942 bleek het stukje uit de onderste laag jonger dan dat uit de laag erboven. Dat kan niet.

Regnerus Steensma beschrijft de buitenkant in zijn gids "Langs de oude Drentse kerken". Het schip is romaans en van tufsteen, net als dat van Vries. In de bovenzone van de noord- en zuidmuur zitten zeven brede rondbogige spaarvelden met kleine romaanse vensters erin, en die eenvoudige versiering maakt een datering rond 1100 of het eind van de elfde eeuw waarschijnlijk. De muren zijn later met baksteen verhoogd. Onder dat tufsteen ligt een fundering van zwerfkeien. De kerk zelf noemt ze hunebedstenen en wijst er twee aan die aan de voorkant zichtbaar zijn.

In juli 1878 tekende de Engelsman Henry Dryden, die met William Collings Lukis de Drentse hunebedden kwam opmeten, tussendoor deze kerk en die van Vries, in aanzichten, plattegronden en details, als met waterverf ingekleurde pentekeningen. De zeven bladen liggen in het museum in Assen.

De toren is jonger dan het schip, en dat kun je zien. Hij is grotendeels van baksteen. Alleen de band rond de onderste galmgaten is tufsteen, kennelijk een restpartij die van tufsteenbouw was overgebleven en hier alsnog is opgemaakt. Op grond van die baksteen komt Steensma uit op de tweede helft of het eind van de twaalfde eeuw. Het spitsje is van 1757, de opvallende trapgevel van 1895. De romaanse absis is begin veertiende eeuw vervangen door een gotisch koor. Waar men in Zuidlaren en Vries de uitbreiding in de hoogte zocht, werkte men in Anloo in de lengte.

Er hoort een waarschuwing bij, en die komt op deze kaart vaker van pas. Bij de restauratie van 1936 zijn in het koor smalle rondbogige vensters aangebracht, ter vervanging van spitsboogvensters die zélf ook al niet origineel waren. Steensma tekent daarbij aan dat zo'n ingrijpende keuze de bezoeker gemakkelijk op een dwaalspoor kan brengen wat de datering betreft. Die restauratie begon op vrijdag 11 september 1936, en niet alleen omdat het koor gevaar begon op te leveren. Dominee M. A. Beek had een jeugdorganisatie opgericht die geen gebouw had. Het plan om daarvoor de grote schuur van de pastorie te verbouwen viel volgens de krant niet goed, en toen richtte men zich op de kerk, met ruimte voor een jeugdlokaal. In december was het koor, dat als jeugdgebouw dienst zou doen, bijna klaar. Bij de restauratie van het schip, tussen 1941 en 1944, werd de witkalk van de muren gebikt. Pas veel te laat kwam men erachter dat daar schilderingen onder zaten.

Omdat het kerkgebouw van steen was en ruimte bood aan grote gezelschappen, zetelde hier ook de rechtbank. De Etstoel, het hoogste rechtscollege van Drenthe, kwam drie keer per jaar bijeen, en de dagen en plaatsen daarvan lagen vast in het Landrecht. Twee van die lottingen waren in Rolde. De derde was hier, op 19 augustus, de feestdag van Sint Magnus, bisschop van Trani, die op die dag de marteldood stierf en naar wie de kerk heet. Dat heette het Magnuslotting, en het werd hier vanaf 1405 gehouden.

Ook de kerk sprak hier recht. Anloo was net als Rolde een eigenkerk van de bisschop en een seendkerk, een kerk waarin het kerkelijk gerecht zitting hield. De seendbrief van 1332 bepaalt bovendien dat de deken van Drenthe zijn hoge gerecht vast in het dorp Anloo hield, en voor Groningen in de stad. Anloo was toen de hoofdplaats van het dingspel Oostermoer en zijn kerk de moederkerk van een gebied dat van Zuidlaren tot Borger reikte. Ook de nieuwe kerk vergaderde hier. Anloo had in augustus 1598 al een beroepen gereformeerde predikant, als een van de eerste Drentse kerspelen, en in september 1600 kwam de classis, de vergadering van de predikanten, in Anloo bijeen. In 1632 vergaderde de Etstoel voor het laatst in Anloo. Hij kreeg zijn zetel in het provinciehuis in Assen en hield in Rolde nog tot 1688 zitting.

De muurschilderingen, die Steensma uniek voor Drenthe noemt, blijken bij nader inzien vier lagen over elkaar. Onderop de Mariacyclus uit de late dertiende of vroege veertiende eeuw, met naast de hagioscoop het geboorteverhaal: Maria op een boerenbed onder een groene deken, de os en de ezel die toekijken. Volgens de kerkrentmeesters is het de enige afbeelding van een liggende Maria in een Nederlandse kerk. Daarover een rij heiligen boven de triomfboog, zes figuren in strakke nissen, het restant van wat oorspronkelijk de twaalf apostelen waren. Daarover één grote figuur, dwars over die apostelen heen geschilderd, mogelijk Christoffel, van wie het volksgeloof wilde dat wie hem gezien had die dag niet zou sterven. En bovenop cartouches uit het begin van de zeventiende eeuw. De protestanten hebben de heiligen wel overgewit, maar de muren niet kaal gelaten. Ze zetten er teksten voor in de plaats, in het Nederduits: "Mijn kindt vorgett mijn Gesette nith. Un dijn harte beware mijne gebode." Jarenlang lekte het dak. Het vocht trok zout en vuil uit het metselwerk naar de schilderingen, en daar zette het zich af als een zwarte aanslag die de verf aantast. Het dak is inmiddels gerepareerd en geïsoleerd. In 2025 nam de provincie de hele restauratie voor haar rekening, bijna 50.000 euro, en in september 2026 kon het restauratiebureau beginnen.

Eén van de geschilderde cartouches is bij de restauratie blootgelegd en hersteld. Hij draagt in Latijn een zin die het pleit voert voor de stille kerk: NON CLAMOR SED AMOR SONAT IN AURE DEI, geen geschreeuw maar liefde klinkt in Gods oor. Het grondplan van het tufstenen schip komt bovendien opvallend overeen met dat van de tufstenen Sint-Maartenskerk waarvan de fundamenten onder de vloer van de Groninger Martinikerk liggen. Twee kerken van dezelfde bouwheer, want de bisschop van Utrecht had in beide plaatsen een hof naast zijn kerk.

Onder de plavuizen van het koor ligt een grafkelder. Op 23 maart 1942 vond Van Giffen de ingang, midden onder de triomfboog: een trap van zware veldkeien die uitkwam op een dichtgemetselde muur. Opzichter Wobbe Alkema hakte er een gat in en zag drie schedels, twee van volwassenen en een kleine. Verder kwam het niet. Van Giffen wilde de restauratie een maand stilleggen om door te graven, Alkema wilde doorbouwen, en Alkema kreeg zijn zin. De kelder ging weer dicht onder een plavuizen vloer. Wat we van die dagen weten komt uit Alkema's dagboekje, dat later in de Groninger Archieven terechtkwam, met een nauwkeurige tekening van de kelder erin.

In 2016 is de kelder alsnog geopend. In de archieven staat wie erin zouden liggen: de twee echtgenotes van ritmeester Unico Evert Alberda en een kind. Alberda kocht de kelder voor driehonderd gulden en ligt er zelf niet in. Hij stierf in Groningen en is daar begraven. Er kwamen resten van zeven mensen uit, en wie de andere vier zijn is onbekend, want de botten zijn te slecht en gebitsresten ontbreken, dus DNA-onderzoek kon niet. Waarschijnlijk zijn het doden uit de kerk zelf, bij een verbouwing geruimd en hier bijgezet. De keientrap, die middeleeuws leek, bleek achttiende-eeuws. Hij doorbreekt de fundering van de kerk, en de keien die daarbij vrijkwamen zijn in de trap zelf hergebruikt. Grondradar liet ten slotte zien dat het gotische koor een forse romaanse voorganger heeft gehad.

In het koor liggen de zerken van de mannen die hier bestuurden. Onder het raamkruis die van Roedolf Wolters, in 1599 gestorven en bij leven schulte van Anloo, Gieten en Zuidlaren. Het is een altaarsteen die na de hervorming als grafzerk is hergebruikt, met een Latijnse zin erop: eens was ik een lichaam, nu ben ik zonder lichaam tot stof, en dat stof zal eens opnieuw een lichaam zijn. Te zien is hij niet, want het Van Vulpen-orgel staat erop. Links ervan ligt landmeter Willem Rudolf Grevylink, gestorven in 1806, wiens steen een verzoek draagt met een jaartal dat niet kan kloppen: "Wordt versogt dit graft Voor het jaar 1097 Niet te Ontrusten."

Het grote orgel is een geschenk van de familie Ellents. Op 5 maart 1717 werd de akte van aanbesteding getekend, voor 1.450 carolusguldens, en de bouw ging naar Johannes Radeker en Rudolf Garrels, meesterknechten van Arp Schnitger. In de toren hangt de luidklok van 1732 met de wapens van twee kerkvoogden erop, en ook een P, van Prüfung. Dat was het merk waarmee de Duitse klokkenvordering in de Tweede Wereldoorlog aangaf dat een klok nader zou worden onderzocht en misschien gespaard. Anloo had pech. De klok ging door het bovenste galmgat naar buiten, waarbij een zuiltje afbrak. Hij liep schade op maar werd niet omgesmolten, en is op 5 december 1945 in Hamburg teruggevonden. Op 22 december 1945 werd het luiden toevertrouwd aan de kinderen van de lagere school, en in 1985 luidden twee leerlingen hem nog elke schooldag om twaalf uur. Of kinderen dat vóór de oorlog ook al deden, was toen niet meer te achterhalen; een krant van 1972 hield het op meer dan honderd jaar. In maart 2026 ging de klok, 1.000 kilo zwaar en nooit eerder gerestaureerd, opnieuw de toren uit. Het zuiltje moest daarvoor weer weg. Bij klokkengieterij Grassmayr in Innsbruck wordt het afgebroken klepeloog vervangen en worden gaten dichtgelast.

Boven de dichtgemetselde noordingang zit ten slotte een ingemetselde steen met een biddende mannenfiguur, twaalfde-eeuws en van zandsteen. Aan zijn trapeziumvorm is te zien dat het oorspronkelijk een sarcofaagdeksel was, dat hier later is ingezet. Over wie erop staat is veel gespeculeerd. Genoemd zijn de apostel Willehad, de patroonheilige Magnus en Theodgrim. Die drie hebben met elkaar gemeen dat ze uit de tijd van de kerstening komen. Theodgrim is de man die in 820 zijn Drentse erfgoed wegschonk aan het klooster Werden, in de akte waarin de naam Drenthe voor het eerst op schrift staat. Steensma is er kort over: er is niets over bekend.

Bekijk deze plek op de kaart →

Deze plek is stap 4 van 5 in de verhaallijn De doden, vijfduizend jaar. Lees de hele lijn.

Deze plek is stap 4 van 6 in de verhaallijn Van Giffen graaft. Lees de hele lijn.

Op de achtergrond: het reliëf uit het AHN.

Gegevens

Ligging
53.04303, 6.69780
Gebied
Anloo
Periode
Middeleeuwen
Zekerheid van de ligging
hoog

In de buurt

  1. ≈ BisschopshofDe bisschopshof die de bisschop van Utrecht na 1024 in Anloo liet bouwen is nooit teruggevonden: vier plekken komen in aanmerking.50 m
  2. EllentshuisHet Ellentshuis bij de brink van Anloo, in 1838 voor afbraak verkocht; de oprijlaan is nog te herkennen in de eikenrijen.60 m
  3. Schultenhuis AnlooEen hallenhuisboerderij aan de brink van Anloo die mogelijk schultenhuis was; in de deurneuten staat 1733, in de gevelankers 1818.80 m
  4. VennebroekOp de hoek van de Gasterenseweg bij Anloo stond havezate Vennebroek, dat zijn naam en zijn status in 1747 erfde van een huis bij Paterswolde.110 m
  5. HomanshofHomanshof bij Anloo is een hallenhuisboerderij die eeuwenlang verhuurd werd; de naam komt van de familie die hem bezat, niet van de boeren die er woonden.210 m
  6. WeiersBij de voorname huizen van Anloo lagen visvijvers; de oudste was niet van een havezate maar van de bisschop.250 m
  7. Werkhuis AnlooIn 1852 bouwde de diaconie in Anloo een werkhuis voor armen, al vond een briefschrijver dat er in het dorp voor hen geen werk was.320 m
  8. Noordesch AnlooUit de Noordesch van Anloo kwamen een urnenveld, prehistorisch aardewerk en een zilverschat van 114 Romeinse munten, ver buiten het Romeinse Rijk.330 m
  9. ≈ JachthuisGrondradar vond bij Anloo een gracht en reflecties die funderingen kunnen zijn. Of dat het jachthuis van stadhouder Hendrik Casimir II was, is omstreden.420 m
  10. SmeltwaterdalHet Anlooërdiepje stroomt door een dal dat veel breder is dan de beek: uitgesleten door smeltwater uit de ijstijden.490 m

Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.