Landschapssporen

De tijdlijn

Federmessercultuur

Cultuur·ca. 11.900 tot 10.900 v.Chr., het Allerød-interstadiaal·binnen het Paleolithicum·4 plekken

Federmesser is Duits voor pennenmes, en zo ziet het werktuig eruit waar deze cultuur naar heet: een smal spitsje met een gebogen rug. In het Nederlands heet datzelfde ding een Tjongerspits, en vroeger heette de hele cultuur daarom de Tjongercultuur. Dat is geen detail voor de liefhebber, maar praktische kennis: de Archeologische Monumentenkaart schrijft "Tjonger" waar het Geheugen van Drenthe "Federmesser" schrijft, en zonder dat je dat weet vind je de helft van de vindplaatsen niet terug.

Korte, brede krabbers horen er even goed bij. De cultuur valt vrijwel samen met het Allerød-interstadiaal, 11.900 tot 10.900 v.Chr. – een warmere onderbreking vlak voor het eind van de laatste ijstijd.

Geen rendierjagers

Het warmere klimaat verklaart waarop er werd gejaagd. Het rendier was met de kou meegetrokken; wat overbleef was wild dat in bos thuishoort en niet wegtrekt – edelhert, eland, zwijn, en daarnaast vogels en klein spul. Standwild vraagt een andere jacht dan een kudde, en dus ook een ander soort kamp.

De rendierjagers waren de oudere Hamburgcultuurca. 12.600 tot 11.900 v.Chr.Meer over deze periode, die op deze kaart één eigen vindplaats heeft in het Strubben-Kniphorstbos.

Wie er in dat bos liepen

Over deze jagers is meer te zeggen dan over hun voorgangers. Hun kampen liggen dichter bij huis. Marcel Niekus telt in het Drentsche Aa-gebied vijftien vindplaatsen van deze traditie, en vijf daarvan liggen bij elkaar in het Eexterveld bij Anderen. Drie van die vijf liggen op korte afstand van elkaar langs de rand van een pingoruïne, en één daarvan is in 1969 opgegraven door het Biologisch-Archaeologisch Instituut. Een pingoruïne was een waterkuil in het veld. Wie op standwild jaagt zoekt de plek waar het wild komt drinken.

Wat ze achterlieten is vooral bewerkingsafval en huidenwerk. Op sommige vindplaatsen gaat het om duizenden stenen voorwerpen. Kernen, brokken, afslagen en klingen, met tientallen schrabbers daartussen en veel minder stekers en spitsen. Een schrabber is gereedschap om een huid mee schoon te maken. Wat je daaruit ziet is niet de jacht. Het is het werk op het kamp, daarna.

De spitsen vertellen het omgekeerde. In het hele Drentsche Aa-gebied zijn er maar een twintigtal Tjonger-spitsen gevonden, en meestal gaat het om één exemplaar, tussen vuursteen uit heel andere perioden. Dat zijn waarschijnlijk verliezen. Pijlpunten die bij de jacht in het veld zijn achtergebleven, en niet het spoor van een kamp. Achter zo'n losse spits zit een schot dat mis ging, of een dier dat verderop is neergegaan.

Vier vindplaatsen, en waarom het er zo weinig zijn

Aan deze cultuur zijn in Noord-Nederland enkele honderden vuursteenvindplaatsen toegeschreven, en ze liggen het dichtst op de dekzandruggen en zandkopjes langs het Hunzedal. De inventarisatie die RAAP in 1993 van dat dal maakte – de bron onder verschillende van deze plekken – zegt het scherper: de grote dichtheid aan laat-paleolithische vindplaatsen daar is "opvallend en uniek voor ons land". Dit kaartvlak ligt er middenin, en toch dragen maar vier plekken het label. Dat zegt minder over wat er lag dan over wat er te vinden is. Een jagerskamp laat geen gebouw achter, alleen vuursteen in de bouwvoor, en dat komt pas boven als iemand er gericht naar zoekt.

Wat de vier gemeen hebben is niet hun vondst maar wat het ploegen bij hen heeft tegengehouden, en dat is bij elk iets anders. Bij de Hiltophoeve is het veen: de zandrug dook eronder weg, en het booronderzoek trof er zelfs de E-horizont nog aan – de laag waarover die jagers hebben gelopen. Op Exterkoele is het het bos: waar geploegd is, is het profiel tot op het gele zand verdwenen, en waar bomen staan is het gaaf gebleven, tot in een konijnenpijp aan toe. Bij het Kreushaarveen is het de natte laagte zelf: één boring haalde er bijna drie meter veen op, en de vondstenreeks van dat terrein begint met een Tjongerspits.

De vierde ligt bij Bonnerveen, en die draait het om. Daar heeft het veen de vondsten niet afgeschermd maar gekleurd. Praktisch alle vuursteen van dat terrein is bruin gepatineerd doordat er ijzer in is getrokken toen er nog veen overheen lag en het regenwater dat ijzer naar beneden spoelde. Het veen is er inmiddels af. De kleur is gebleven, en daarmee draagt de steen zelf de herinnering aan een landschap dat verder nergens meer te zien is.

Gave vindplaatsen uit deze periode zijn zeldzaam. Op deze kaart hangt hun waarde dus niet af van wat er is gevonden, maar van wat er toevallig niet is omgeploegd.

Alle plekken per dorp en gebied →